Kennisbank

Voorbeeld testament samenwonend met kinderen



Op, [datum], verscheen voor mij, mr. [    ], notaris te [  ]:de heer/mevrouw [   ], geboren op [   ] te [   ], met nummer paspoort: [  ].
De verschenen persoon verklaarde de volgende uiterste wilsbeschikkingen te maken:


1. HERROEPING
Ik herroep alle eerder door mij gemaakte uiterste wilsbeschikkingen, waaronder hetgeen ik bij een eventueel eerder codicil, daaronder niet begrepen een donorcodicil, heb bepaald.


2. RECHTSKEUZE
Ik kies als het recht dat van toepassing is op de vererving van mijn gehele nalatenschap en de afwikkeling daarvan het recht van de staat van mijn huidige nationaliteit, dit is het Nederlandse recht. Onder vererving en afwikkeling wordt in elk geval begrepen hetgeen is vermeld in artikel 23 Europese Erfrechtverordening.


3. ERFSTELLINGEN/LEGATEN
1. Ik benoem [   ] (hierna te noemen: partner), geboren op [  ] te [  ] tot mijn enig erfgenaam.
2. Ik legateer aan ieder van mijn kinderen, een bedrag gelijk aan het erfdeel dat zij zouden hebben gekregen als zij samen met mijn partner als erfgenaam tot mijn nalatenschap waren geroepen.
3. Ter vaststelling van de grootte van het legaat moet de waardering van de goederen en schulden van mijn nalatenschap geschieden in onderling overleg. Als schulden worden in dit verband aangemerkt de schulden genoemd in artikel 4:7 lid 1 onder a. tot en met d. Burgerlijk Wetboek, zover zij van toepassing zijn. Als in onderling overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de waardering, geschiedt deze door een deskundige, te benoemen door de kantonrechter van de rechtbank waarin ik het laatste mijn woonplaats had en, als die woonplaats buiten Nederland is gelegen, door de kantonrechter van het arrondissement ‘s-Gravenhage.
4. Als een kind onwaardig is, voor mij is overleden of het legaat verwerpt zonder een beroep te doen op zijn of haar legitieme portie, komt het legaat toe aan zijn of haar afstammelingen volgens de regels van plaatsvervulling in het erfrecht bij versterf.
5. Het legaat is opeisbaar:
1. bij het overlijden van mijn partner;
2. bij faillissement van mijn partner of wanneer de schuldsaneringsregeling op mijn partner van toepassing wordt verklaard;
3. als mijn partner trouwt of een geregistreerd partnerschap aangaat zonder het maken en in stand houden van huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden. Deze voorwaarden dienen in te houden de uitsluiting van elke gemeenschap van goederen zonder toevoeging van enig verrekenbeding dat leidt of kan leiden tot verrekening van door mijn partner ten huwelijk of partnerschap aangebracht vermogen tenzij mijn partner zekerheid stelt voor de voldoening van de vorderingen;
4. als en voor zover een uitkering van de vordering voorkomt dat een inkomens- of vermogenstoets in de weg staat aan uitkeringen of voorzieningen van overheidswege. Hiervan is in elk geval ook sprake als door uitbetaling van de geldvorderingen op grond van enige wettelijke regeling een lagere - direct of indirect - vermogensafhankelijke eigen bijdrage verschuldigd wordt wegens verblijf in enige instelling en wanneer het vermogen van mijn partner na aftrek van de geldvorderingen daalt onder het bedrag waarbij hij of zij aanspraak kan maken op een bijstandsuitkering dan wel enige andere uitkering in het kader van het sociale zekerheidsstelsel, met dien verstande dat de geldvorderingen slechts opeisbaar zullen zijn als en voor zover dit leidt tot een verdere verlaging van de eigen bijdrage dan wel tot een verdere verhoging van de uitkering.
6. Over het bedrag dat mijn kinderen krachtens het legaat te vorderen hebben is geen rente verschuldigd, tenzij mijn partner en de desbetreffende legataris samen binnen de ter zake van mijn nalatenschap geldende aangifte termijn voor de erfbelasting anders bepalen.
7. Mijn partner kan de hoofdsom of de daarover verschuldigde rente te allen tijde geheel of gedeeltelijk voldoen. Mijn partner is vrij te bepalen of een betaling in mindering strekt op de hoofdsom of de rente. Als mijn partner zich daaromtrent niet uitlaat, strekt een betaling in mindering op de hoofdsom.
8. Als mijn kinderen over hun verkrijging erfbelasting of door deze verkrijging andere belastingen zoals de vermogensrendementsheffingen zijn verschuldigd, dient mijn partner het door hem verschuldigde direct aan hen uit te keren of aan hen te voldoen. Hetgeen mijn partner betaalt, wordt in mindering gebracht op het bedrag dat hij of zij krachtens het legaat aan mijn kinderen verschuldigd is.
Alternatieve erfstelling
Voor het geval ik na mijn partner overlijd en ik geen afstammelingen achterlaat en ook geen huwelijks- of geregistreerd partner, benoem ik tot mijn erfgenamen:
1. Voor de ene helft van mijn nalatenschap mijn erfgenamen volgens de wet, voor de delen en op de wijze als is bepaald bij de wettelijke erfopvolging gelden ten tijde van mijn overlijden;
2. Voor de andere helft van mijn nalatenschap diegenen die de erfgenamen volgens de wet van mijn partner zouden zijn als mijn partner tegelijk met mij zou zijn overleden, voor de delen en op de wijze als is bepaald bij de wettelijke erfopvolging geldend ten tijde van mijn overlijden. De in het tweede lid genoemde personen zullen uitsluitend van mij erven als ik als erfgenaam in de nalatenschap van mijn partner ben opgetreden.


4. OPVULLEGAAT
1. Ik legateer aan mijn partner een bedrag in contanten, zodanig berekend dat dit legaat samen met de overige (fictieve) erfrechtelijke verkrijgingen van mijn partner uit mijn nalatenschap niet meer bedraagt dan hetgeen van heffing van erfbelasting, al dan niet op verzoek, is vrijgesteld. Mijn partner heeft de bevoegdheid om slechts een gedeelte van het aldus gelegateerde bedrag te aanvaarden.
2. Dit legaat komt ten laste van mijn legatarissen (als bedoeld in de clausule "Erfstellingen/Legaten"), zulks naar evenredigheid van ieders legaat.
3. Als één van mijn legatarissen (als bedoeld in de clausule "Erfstellingen/Legaten") een of meer niet-opeisbare geldvorderingen, al dan niet krachtens erfrecht, op mijn partner heeft, zal het gelegateerde bedrag op verzoek van die legataris worden verrekend met de geldvordering(en) van die legataris, welke geldvordering(en) derhalve opeisbaar zal/zullen zijn voor een zodanig gedeelte als nodig is om het ten laste van die legataris komende deel van het legaat te kunnen verrekenen. Mijn partner is bevoegd te bepalen met welke geldvordering(en) het gelegateerde bedrag wordt verrekend.
4. Als de waarde van het door een legataris verkregene (als bedoeld in de clausule "Erfstellingen/Legaten") met de te zijnen laste komende schulden, legaten en testamentaire lasten en rekening houdend met zijn of haar eventuele verplichting tot inbreng van giften, negatief is, zal het hiervoor aan mijn partner gemaakte legaat zodanig worden verminderd dat de waarde van het door een legataris verkregene (als bedoeld in de clausule "Erfstellingen/Legaten") nihil bedraagt. De vermindering van het gelegateerde bedrag geldt ook (naar evenredigheid van het verkregene) voor de (overige) legatarissen.
5. Ingeval van onzekerheid of geschil omtrent de wijze of uitkomst van voormelde berekeningen zal ter zake een beslissing genomen worden door mijn partner.


5. UITSLUITINGSCLAUSULE
1. Ik bepaal dat hetgeen uit mijn nalatenschap wordt verkregen en de opbrengsten daarvan - en hetgeen daarvoor door zaaksvervanging overeenkomstig artikel 1:95 lid 1 Burgerlijk Wetboek in de plaats treedt - niet zullen vallen in enige vermogensrechtelijke gemeenschap waarin de verkrijger gerechtigd mocht zijn of worden, en niet betrokken zal worden in enige verrekening op grond van de door de verkrijger gemaakte of te maken huwelijkse voorwaarden of samenlevingscontract tussen echtgenoten of partners.
2. De uitsluitingsclausule geldt evenwel niet voor het gedeelte van de erfrechtelijke verkrijging (en de opbrengsten daarvan) dat wordt verteerd gedurende de periode dat de betreffende verkrijger gehuwd of partner is, tenzij uit een regeling tussen de verkrijger en diens partner het tegendeel voortvloeit.


6. BEROEP OP LEGITIEME
1. Als een afstammeling een beroep doet op zijn of haar legitieme portie, komt het aan hem of haar gemaakte legaat te vervallen.
2. Ik bepaal voorts dat de legitimaris zijn of haar vordering uitsluitend geldend zal kunnen maken jegens mijn partner, zodat inkorting als eerste zal geschieden op hetgeen mijn partner uit mijn nalatenschap zal verkrijgen, danwel op hetgeen mijn partner zal verkrijgen op grond een handeling als bedoeld in artikel 4:126 Burgerlijk Wetboek.
3. Ten behoeve van mijn partner bepaal ik dat ten laste van mijn partner komende vorderingen terzake van de legitieme portie (zoals in het vorige lid beschreven) eerst opeisbaar zijn na het overlijden van mijn partner.


7. INBRENG GIFTEN
Mijn erfgenamen zijn verplicht tot inbreng van alle door mij aan hen gedane giften, tenzij en voor zover ter gelegenheid van enige gift uitdrukkelijk anders is bepaald.



8. EXECUTEURSBENOEMING
1. Ik benoem mijn partner tot verzorger van mijn begrafenis of crematie en tot (beheers)executeur in de zin van Afdeling 4.5.6. Burgerlijk Wetboek, en bepaal dat de executeur in het kader van de tot zijn of haar taak behorende voldoening van de schulden van de nalatenschap bevoegd is om zonder overleg of toestemming als bedoeld in artikel 4:147 Burgerlijk Wetboek goederen te gelde te maken. De executeur is bevoegd om een andere executeur aan zich toe te voegen of in zijn of haar plaats te stellen, en als een executeur komt te ontbreken is de kantonrechter bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een vervanger te benoemen.
2. Voor het geval mijn partner deze executeursbenoeming niet kan of wil aanvaarden benoem ik in plaats van mijn partner, eventueel bij opvolging, met geheel gelijke bevoegdheden: [   ], geboren op [  ] te [   ].



9. VOORWAARDE VOOR VERKRIJGING DOOR PARTNER
1. Alle beschikkingen ten behoeve van mijn partner, de benoeming tot executeur daaronder uitdrukkelijk begrepen, zijn gemaakt onder de voorwaarde dat ik ten tijde van mijn overlijden nog ongehuwd met mijn partner samenwoon, dan wel met mijn partner gehuwd ben of een geregistreerd partnerschap ben aangegaan zonder dat sprake is van scheiding van tafel en bed of van een niet-geroyeerde procedure of een overeenkomst om te geraken tot scheiding van tafel en bed, echtscheiding of beëindiging van het geregistreerd partnerschap, dan wel om te geraken tot beëindiging van de samenleving in het kader van het huwelijk of partnerschap. De beschikkingen getroffen ten voordele van de bloedverwanten van mijn partner, die geen bloedverwanten van mij zijn, alsmede alle bij deze uiterste wil gedane benoemingen van mijn partner en zijn of haar vooromschreven bloedverwanten, vervallen eveneens als niet aan voornoemde voorwaarde is voldaan.
2. Als aan bedoelde voorwaarde niet is voldaan sluit ik mijn partner, voor zover nodig, uit als (versterf) erfgenaam van mijn nalatenschap.
3. Aan samenwonen wordt in dit verband gelijkgesteld een samenwoning welke is onderbroken ten gevolge van wilsonafhankelijke omstandigheden, zoals opname van (één van) de partners in een verpleeginrichting, terwijl de samenwoning met mijn partner als beëindigd geldt als:
- mijn partner en ik in de gemeentelijke basisadministratie niet langer op hetzelfde adres staan ingeschreven;
- mijn partner en ik schriftelijk met elkaar zijn overeengekomen de relatie en/of de samenleving te beëindigen;
- één van ons bij aangetekend schrijven aan de ander te kennen heeft gegeven de samenleving als geëindigd te beschouwen;
- mijn partner en ik blijkens een gedateerde en ondertekende schriftelijke overeenkomst zijn overgegaan tot verdeling van alle aan ons gezamenlijk toebehorende goederen;
- één van ons met een derde in het huwelijk is getreden, dan wel een geregistreerd partnerschap is aangegaan.


10. VOOGDIJBENOEMING
1. Als ik tegelijkertijd met of na mijn partner overlijd met achterlating van minderjarige kinderen, benoem ik tot voogd: [   ], geboren op [  ] te [   ] en voor het geval hij of zij die benoeming niet kan of wil aanvaarden, benoem ik in zijn of haar plaats, eventueel bij opvolging: [   ], geboren op [  ] te [   ].
2. Ten aanzien van voormelde voogdij geef ik uitdrukkelijk te kennen dat het mijn wens is:
1. dat mijn minderjarige kinderen samen worden opgenomen en opgevoed in één gezin;
2. dat de maatstaven, die door de voogd bij de opvoeding van mijn kinderen gehanteerd worden, zoveel mogelijk zullen overeenkomen met de maatstaven welke ik gehanteerd zou hebben, wat onder meer inhoudt dat een goede opvoeding, opleiding en vorming belangrijker zijn dan de instandhouding van het vermogen van mijn kinderen.



11. BEWIND
1. Ik stel al hetgeen door mijn kinderen - hierna ieder aangeduid als "rechthebbende" uit mijn nalatenschap of anderszins ter zake of ten gevolge van mijn overlijden wordt verkregen, en hetgeen door zaaksvervanging overeenkomstig artikel 1:95 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek daarvoor in de plaats treedt en de opbrengsten daarvan, onder bewind, een en ander onder de volgende bepalingen:
1. Strekking van het bewind 
Ik stel dit bewind mede in om de reden dat ik de rechthebbende nog niet in staat acht om zelfstandig in het beheer van het verkregene te voorzien. Het bewind is ingesteld in het belang van de rechthebbende.
2. Aanvang en einde van het bewind; voorrang van het bewind gedurende de minderjarigheid 
Het bewind neemt een aanvang op de dag van mijn overlijden. Het bewind eindigt zodra de rechthebbende de leeftijd van éénentwintig (21) jaar heeft bereikt. Het bewind zal ook na het bereiken van de hiervoor vermelde leeftijd voortduren als de rechthebbende op dat moment toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of surseance van betaling heeft aangevraagd, dan wel in staat van faillissement verkeert. Doet één van deze omstandigheden zich voor dan zal het bewind eerst eindigen als de schuldsaneringsregeling of surseance van betaling eindigt, of de aanvraag wordt afgewezen, en de rechthebbende niet binnen één maand daarna failliet wordt verklaard respectievelijk als het faillissement eindigt door homologatie van een akkoord waarmee de bewindvoerder heeft ingestemd.
3. Voorrang dwingend recht 
De bepalingen van dit bewind zullen slechts gelden voor zover deze niet in strijd zijn met de dwingendrechtelijke bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.
4. Boedelbeschrijving 
De bewindvoerder is verplicht om zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk negen (9) maanden na mijn overlijden, bij notariële akte een beschrijving op te maken van de goederen waarop het bewind betrekking heeft.
5. Beheer en beschikking; vertegenwoordigingsbevoegdheid 
De bewindvoerder is - behoudens de eventueel vereiste machtiging of goedkeuring van de kantonrechter tijdens de minderjarigheid van de rechthebbende - zelfstandig beheers- en beschikkingsbevoegd met betrekking tot het onder bewind gestelde vermogen en is voorts bevoegd tot het uitoefenen van zeggenschapsrechten, zoals het vergader- en stemrecht, zonder daartoe de medewerking of goedkeuring van (de wettelijk vertegenwoordiger van) de rechthebbende te behoeven. Er mag niet worden belegd in fondsen met een hoog risicoprofiel. De bewindvoerder mag uitsluitend als vertegenwoordiger van de rechthebbende optreden en mag niet in eigen naam handelen; de bepalingen van titel 3 van Boek 3 Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op de rechten en verplichtingen van een wederpartij. Regels die de bevoegdheid van de bewindvoerder betreffen, en feiten die voor een oordeel omtrent zijn of haar bevoegdheid van belang zijn, kunnen niet aan de wederpartij worden tegengeworpen, als deze met die regels of feiten niet bekend was of behoorde te zijn.
6. Zekerheidstelling 
De bewindvoerder is vrijgesteld van de verplichting om zekerheid te stellen.
7. Publicatie 
Het bewind dient, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:160 lid 2 Burgerlijk Wetboek, te worden gepubliceerd in de openbare registers, in het handelsregister en in het (de) aandeelhoudersregister(s) van de vennootschap(pen) op welke aandelen het bewind betrekking heeft.
8. Aansprakelijkheid 
De bewindvoerder is niet aansprakelijk voor vermindering van de waarde van de aan het bewind onderworpen goederen, tenzij mocht blijken dat hij of zij niet te goeder trouw heeft gehandeld of anderszins is tekort geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder.
9. Rekening en verantwoording 
De bewindvoerder dient aan de rechthebbende rekening en verantwoording af te leggen op het moment dat deze de leeftijd van achttien (18) jaar bereikt en vervolgens jaarlijks, steeds uiterlijk op de eerste juli van elk jaar over het daaraan voorafgaande kalenderjaar. De bewindvoerder is voorts te allen tijde verplicht om op eerste daartoe strekkend verzoek van en aan degene aan wie hij of zij rekening en verantwoording moet afleggen, aan te tonen dat de onder bewind gestelde goederen, of de goederen welke daarvoor in de plaats zijn getreden, nog aanwezig zijn. Aan het einde van het bewind maakt de bewindvoerder een finale rekening en verantwoording op.
10. Beslag 
Het onder bewind gestelde vermogen en de revenuen daarvan zijn niet voor inbeslagneming vatbaar.
11. Inkomsten/uitkeringen 
De bewindvoerder bepaalt of en in welke mate de vruchten (inkomsten) uit het onder bewind gestelde vermogen aan de rechthebbende ter beschikking worden gesteld. De bewindvoerder heeft de bevoegdheid om, als het belang van de rechthebbende dit naar zijn of haar oordeel vordert, aan hem of haar kapitaaluitkeringen te doen. De bewindvoerder is verplicht om op diens verzoek aan de rechthebbende uitkeringen uit inkomsten en/of vermogen te doen om de rechthebbende in staat te stellen om een opleiding/studie te volgen en/of om een woning te verwerven. Bij verschil van inzicht hieromtrent, of over de hoogte van het ter beschikking te stellen bedrag, beslist de kantonrechter.
12. Aanwijzing opvolger 
De bewindvoerder heeft de bevoegdheid om bij afzonderlijke notariële akte een opvolger met geheel gelijke bevoegdheden te benoemen, voor zover door mij niet in de opvolging is voorzien.
13. Defungeren 
De bewindvoerder zal defungeren door zijn of haar overlijden en wanneer hij of zij: 
- failliet gaat, surseance van betaling of faillissement aanvraagt of onder de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen komt te vallen, dan wel wanneer op goederen die wat betreft de waarde meer dan de helft van (het saldo van) zijn of haar vermogen uitmaken executoriaal beslag wordt gelegd;
- onder curatele wordt gesteld of anderszins het vrije beheer over zijn of haar gehele vermogen verliest;
- gedurende meer dan twee (2) maanden zijn of haar wil niet kan verklaren;
- door de kantonrechter wordt ontslagen.
Als de bewindvoerder defungeert zonder dat door mij in de opvolging is voorzien dan zal een nieuwe bewindvoerder met gelijke bevoegdheden worden benoemd door de kantonrechter van de woonplaats van de rechthebbende.
14. Bedanken 
De bewindvoerder heeft de bevoegdheid om te bedanken, mits hij of zij overeenkomstig het onder 12. bepaalde een opvolger heeft benoemd als door mij niet in de opvolging is voorzien.
15. Opheffen bewind 
De rechtbank kan het bewind op verzoek van de bewindvoerder opheffen op grond van onvoorziene omstandigheden, of wanneer aannemelijk is dat de rechthebbende de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen. Een dergelijke opheffing is slechts mogelijk met instemming van de rechthebbende. Bij afwijzing van een verzoek tot opheffing van het bewind kan de rechtbank des verzocht de regels omtrent het bewind, al dan niet onder door hem of haar te stellen voorwaarden, wijzigen.
16. Onvoorziene omstandigheden; geschillen 
De kantonrechter van de woonplaats van de rechthebbende kan op verzoek van de bewindvoerder of van de rechthebbende, al dan niet onder door hem te stellen voorwaarden, de regels omtrent het voeren van het bewind wijzigen op grond van onvoorziene omstandigheden. Geschillen welke mochten rijzen naar aanleiding van deze onderbewindstelling zullen eveneens, in eerste en hoogste instantie, door bedoelde kantonrechter worden beslist.
17. Dezelfde bewindvoerder 
Ofschoon het een afzonderlijk bewind voor ieder van de rechthebbenden betreft, zal voor elk bewind steeds dezelfde bewindvoerder optreden.
2. Tot bewindvoerder benoem ik [   ].
3. Als een legitimaris met toepassing van artikel 4:75 lid 2 Burgerlijk Wetboek de onder 1. opgegeven grond voor de onderbewindstelling betwist, bepaal ik uitdrukkelijk dat de verkrijging van deze legitimaris in het geval dat de opgegeven grond inderdaad juist is en in het geval dat de opgegeven grond onjuist is maar de in artikel 4:75 lid 3 Burgerlijk Wetboek bedoelde verklaring niet wordt afgelegd, wordt verminderd tot een verkrijging waarvan de waarde correspondeert met de legitieme aanspraak. Het aldus vrijvallende gedeelte van de verkrijging van de legitimaris zal toekomen aan mijn overige erfgenamen, naar rato van hun erfdelen.


SLOT
De verschenen persoon is mij, notaris, bekend en de wettelijk voorgeschreven identificatie heeft plaatsgevonden. Waarvan akte is verleden te [   ] op de datum in het hoofd van deze akte vermeld. Nadat de zakelijke inhoud van deze akte aan de verschenen persoon is opgegeven en toegelicht, heeft deze verklaard tijdig van de inhoud van de akte te hebben kennisgenomen, de strekking en de gevolgen daarvan te hebben begrepen, daarmee in te stemmen en op volledige voorlezing geen prijs te stellen. Daarna is deze akte onmiddellijk na beperkte voorlezing door de verschenen persoon en mij, notaris, getekend om [   ] 




Back Naar woordenboek